Categorie archief: lesgeven

Burgerschap en fatsoen en normen

Het onderwerp is niet erg populair, normen en fatsoen. Het onderwerp is besmet geraakt, want allerlei partijen en groepen proberen zich op te werpen als de ware verdedigers van fatsoen en normen en burgerschap. En dat is jammer want op zich zijn het wel onderwerpen om eens over na te denken. Probeer het onderwerp eens los te maken van de conservatieve achtergrond.
Het is niet gek om mensen, en ook leerlingen dus, aan te spreken op vervelend gedrag. Het is niet gek, maar soms wel moeilijk.
Maar als je, zoals ik laatst, een poosje verkeersregelaar bent geweest bij een groot festijn dan merk je dat het heel vervelend  en bedreigend is als mensen zich niet aan normale normen houden. En in andere publieke functies is dat niet anders.

Leren spellen en leren schrijven

rood kruisLeren is het maken van koppelingen tussen herinneringen. Als we een koppeling gemaakt hebben tussen de klank van het woord “regen ” en de schrijfwijze “regen” dan hoeven we niet meer te spellen om het woord “regen” juist op te schrijven. We hebben een koppeling gemaakt tussen de klank en het geschreven woord. Die koppeling werkt sneller dan ons bewuste nadenken. (zie onderzoek van Fr. Daems, S. Frisson, D. Sandra).

Leerlingen< die problemen hebben met de koppeling tussen gehoorde klanken en geschreven woorden kunnen we dus helpen. Ze moeten geholpen  die koppelingen te maken. Hoe ontstaat een koppeling tussen klank en geschreven woord? Of hoe werkt het geheugen?  Als je de logica of de regels snapt maak je de koppelingen snel. Als je veel oefent worden die koppelingen ook gemaakt. Maar als leerlingen fout geschreven woorden zien is het gevaar groot dat de koppeling tussen klank en het juiste woord verstoord wordt. Het is dus volstrekt fout om leerlingen met spellingproblemen te confronteren met fout  geschreven woorden. De Cito-toets kent items waarin fout gespelde woorden moeten worden aangekruist. Die vorm van toetsen is dus niet consistent met de zorg om de juiste koppelingen tussen klanken en goed geschreven  woorden te koesteren.  Maar die toetsvorm van Cito is aanleiding om op school ook opgaven te maken en te oefenen waarin leerlingen  fout geschreven woorden en juist geschreven voorgeschoteld krijgen om de juiste vorm te kiezen. Dat is een grote fout. Zulke oefeningen horen niet voor te komen, omdat ze het woordbeeld verstoren. (Pravoo uit Nijkerk geeft zulke foute oefeningen uit, maar ze zijn niet de enigen)  

Rekening houden met omstandigheden

Veronica Vázques ZentellaWij leraren maken een plan voor onze lessen alsof alles zal gaan zoals wij dat willen. Maar in de klas, net als in het echte leven, gebeuren onverwachte dingen die de planning verstoren. We maken een plan voor onze ideale klas, maar hoe vaak gebeurt er niet iets waardoor we ons plan moeten wijzigen? Dan moeten we beslissen, blijf ik bij hoe-dan-ook het lesplan of pas ik de les aan.

Het antwoord is eigenlijk simpel, maar veel leraren blijven gewoon bij het oorspronkelijke plan.  Maar lesgeven is meer dan volgen van lesplannen en leerplannen. Leraren hebben te maken met emoties en de inhoud van lessen, de actualiteit en didactiek.  Als we lessen voorbereiden houden we meestal rekening met de laatste drie, maar de eerste veronachtzamen we bij de planning. We vergeten hoe belangrijk emoties zijn in de opvoeding en bij onderwijs. Onze leerlingen zijn niet (altijd) in de stemming, ze zijn moe, ze hebben problemen (net als iedereen), in het kort ze zijn niet in staat onze les te volgen. Bij deze omstandigheden hebben onze leerlingen een leraar nodig die zich kan aanpassen. Een flexibele leraar die zich aan alle omstandigheden kan aanpassen, die een plan B heeft voor als plan A niet werkt, en ook nog een plan C  en D. Dat is trouwens in het echte leven ook heel nuttig.

Het komt vaak voor dat we een plan hebben dat door een kritische omstandigheid (critical incident) niet gaat werken. Kreativiteit en flexibiliteit en  aanpassingsvermogen zijn voor iedereen belangrijke vaardigheden. Stel mijn plan is om met het hele gezin naar een museum te gaan, of naar het strand, en ze willen allemaal gaan voetballen. Wat zal ik dan doen? Boos worden, of straffen of toch maar mijn sportschoenen opzoeken en een balletje meetrappen en een plezierige tijd hebben samen?

In andere omstandigheden moeten we ons weten aan te passen, en we moeten leren improviseren.

(dit artikel is een bewerking van de weblog van Veronica Vázques Zentella http://networkedblogs.com/jGTIs

 

Intervisie, de incidentmethode

waarschuwingWat is de incidentmethode?
De incidentmethode is eenvoudige en gestructureerde manier om moeilijke problemen of nieuwe ontwikkelingen in een groep te bespreken. Structuur is nodig, omdat het ruimte en grenzen geeft, zodat de deelnemers voldoende openheid, rust en tijd hebben om mee te doen. Het is belangrijk ook flexibel te mogen omgaan met de structuur zodat gesprek soepel verloopt. De incidentmethode helpt een groep door middel van deze structuur en tijdsplanning om doelmatig en effectief aan de oplossing van een probleem te werken.
De incidentmethode is een werkvorm, waarbij een groep zich intensief verdiept in een bepaalde situatie, door het bespreken en analyseren van een situatie van één van de groepsleden. De gespreksleider moet de tijd goed bewaken.
De bijeenkomsten worden met regelmaat gehouden. De rollen van inbrenger, gespreksleider zijn tevoren bekend.
Fase 1 Start en reflectie over de vorige intervisie (10 minuten)
Hoe is de vorige bijeenkomst bevallen, gelet op de resultaten ?
Het reflectieverslag van de vorige inbrenger wordt besproken. Met een kort verslag over de ervaringen met de adviezen voor de ingebrachte werksituatie.
Fase 2 Inbreng van een nieuwe veranderingsvraag (10 minuten)
Het is belangrijk te kiezen voor een persoonlijke situatie, die kort geleden werkelijk plaats heeft gevonden.
Degene die de situatie, of casus inbrengt introduceert de casus door een korte schets op papier. De casus is beschreven tot op het kritische moment, hoe hij handelde en eventuele reacties. Mogelijke ideeën of oplossingen worden door de inbrenger weggelaten.
Deelnemers noteren ieder vragen die ze zouden willen stellen om meer inzicht te krijgen in de situatie.
Fase 3 Inzicht van de casus. Vragenronden (20 minuten)
De groep stelt informatieve vragen aan de inbrenger. Het gaat om feitelijke vragen.
Doorvragen en het stellen van verdiepingsvragen, maar niet interpreteren, oordelen of suggereren.
Fase 4 Analyse en inzichten vanuit de deelnemers (15 minuten)
De deelnemers bespreken hoe zij de situatie zien en welke oorzaken voor het probleem ze hebben bedacht. Ze benoemen relevante aspecten van de situatie. Ze geven hun visie op de rol van de inbrenger en betrokkenen. Ze nemen ook omgevingsfactoren in ogenschouw.
Fase 5 Adviesronde (15 minuten)
Bepaal welke persoonlijke betrokkenheid ieder heeft tot het ingebrachte probleem. Wat zouden de deelnemers doen in deze situatie? Bespreek de inzichten die ontstaan zijn.
Fase 6 Evaluatie en vervolgafspraken (10 minuten)
Hoe hebben de deelnemers de bijeenkomst ervaren? Welke persoonlijke leeropbrengst is er?
Wat is nog niet uitgesproken? Afspraken voor de volgende intervisie bijeenkomst.
Verslag
De inbrenger van de casus maakt tijdens de intervisie aantekeningen. Die verwerkt hij tot een reflectieverslag.
In het reflectieverslag komen de volgende aandachtspunten terug:
Welke inzichten heb je nu?
Wat heb je met de adviezen binnen de praktijk gedaan?
Wat waren je gevoelens na de bespreking?
Hoe heb je de adviezen ervaren?
Denk je dat er nu iets ten goede veranderd is?
Is er iets blijven liggen wat aandacht vraagt?
Het is belangrijk om aandacht te geven aan de vaardigheden die nodig zijn voor het schrijven en bespreken van een reflectieverslag. Dat kan in een intervisiebespreking.

Leiding geven aan een Brainstorm

breinBeschrijf en definieer het probleem duidelijk. Maak het doel van de brainstorm helder. Wanneer kunnen we de breinstorm als geslaagd beschouwen? Herhaal de probleemstelling tijdens de breinstorm in verschillende bewoordingen. Vraag je af of breinstorm wel de juiste techniek is om een oplossing te vinden. (Een nieuwe titel voor een boek kies je niet in een breinstormsessie)

De ideale groepsgrootte voor een brainstorm is zes deelnemers.

Laat iedereen meedoen. Rem dominante figuren wat af. Bevorder verscheidenheid. Ga over grenzen, laat tegenstellingen bestaan.

Moedig kruisbestuiving aan, voortbouwen op de bijdrage van anderen. Combineren, verbeteren, samenvoegen zijn aanmoediging waard.

De deelnemers moeten niet allemaal op elkaar lijken, verschillen tussen deelnemers zijn vruchtbaar.

Bevorder wilde ideeën, kreativiteit. Soms leiden wilde, vergezochte ideeën tot goede oplossingen.

Laat de deelnemers actief luisteren, om verduidelijking en uitleg vragen.

Voor de hand liggende oplossingen zijn niet persé slechte oplossingem.

Stel alle beoordeling en veroordeling uit. Er zijn geen slechte ideeën. Rare bijdragen leiden er niet zelden toe dat iemand anders op een goed idee komt.

Wees niet bang voor herhaling.

Begin gewoon, zorg dat je  tijdens de sessie geen tijd hoeft besteden aan organiseren en voorbereiden. (Bereid dus goed voor)

Ga voor kwantiteit en vermijd diskussies over de kwaliteit van de bijdragen. Verduidelijken van ideeën is goed. Diskussie tijdens de breinstorm remt de kreativiteit. Houd de stroom ideeën aan de gang.

Leg elk idee  vast, omschrijvingen moeten volledig zijn. Eén woord noteren is meestal niet genoeg. Leg vast, zonder interpretatie. Laat je niet opjagen, noteer elk idee.

Laat deelnemers de lijst met ideeën doorlezen om nog meer inspiratie op te doen.  Vraag ze om ideeën te combineren of met elkaar te verbinden.

Deelnemers moeten wennen aan brainstormen.

Laat de groep na de sessie zelf aan de gang gaan om de beste oplossing te kiezen.

 

Oefening kritisch lezen en kritisch denken

krant-lezen

krant-lezen

Oefening: de leerlingen leren vragen stellen bij alle soorten berichten, informatie.

1. Een bericht (dat is een hoeveelheid informatie) heeft altijd een afzender. Wie heeft dit bericht samengesteld?

2. Berichten, informatie, heeft altijd een vorm. (woordgebruik, typografie, afbeeldingen) Welke techniek en welke vorm wordt gebruikt om mijn aandacht te trekken?

3. Berichten, informatie, worden door verschillende mensen anders opgevat. Hoe zouden anderen dit bericht kunnen opvatten? Hoe vat ik het op?

4. In een bericht, informatie, zitten altijd gezichtpunten en waarden en opvattingen. Welke waarden opvattingen en gezichtspunten kunnen we in deze informatie ontdekken, en welke niet?

5. De meeste berichten hebben als doel winst maken of macht uitoefenen. Waarom is dit bericht gepubliceerd?

Meer over oefenen, vijf aspecten van oefenen

Roberto Moretti  onderscheidt vijf  aspecten aan goed oefenen:

Identificatie— Het gewaarworden van de handelingen die je oefent. Door de handelingen te herhalen en ze daardoor goed te leren kennen kun je die handelingen op onderdelen verbeteren.
Isolatie —  Iets kiezen om de aandacht op te richten om je te concentreren. De herhaling die oefenen kenmerkt kan de concentratie doen verslappen, en concentratie is noodzakelijk.
Versterking — Herhalen van de activiteit zodat die autonoom wordt.
Integratie — Het oefenen van samenhangende activiteiten na elkaar of in samenhang om de activiteit in meer complexe situaties te kunnen uitvoeren.
Escalatie — Steeds nieuw materiaal zoeken om mee te oefenen om het doel te bereiken.
Motivatie van degene die oefent ziet men als zeer belangrijke factor voor het behalen van een goed resultaat.
De instructie moet aansluiten bij de voorkennis van degenen die gaan oefenen, zodat slechts een korte instructie nodig is.
Directe feedback is belangrijk, de feedback moet informatief zijn. Men moet herhaaldelijk dezelfde activiteit oefenen.

 

Tien regels voor effectieve gedragscorrecties

Je kunt beter duidelijk vertellen welk gedrag je wilt zien, dan onduidelijke en dubbelzinnige opmerkingen te maken.
Een positieve aanmaning om te beginnen met gepast gedrag is effectiever dan de negatieve vraag om te stoppen met wangedrag.
Iets vragen is minder effectief dan aanmanen of vermanen.
Slechts tweemaal aanmanen is beter dan heel vaak vermanen.
Je kunt beter van dichtbij dan van veraf vermanen. (een meter is beter dan tien meter).
Oogcontact helpt om de boodschap duidelijk te maken. Lees verder