Archive for the ‘Softskills’ Category

Internet is ontworpen om boodschappen uit te wisselen en bestanden te kopiëren en te verspreiden. Internet is niet afgeleid van intern-et maar van inter-net. Internet is een netwerk dat computers en dus mensen verbinden wil. Privacy zit er niet ingebouwd. Het is algemeen, openbaar en gericht op verspreiden.
Privé-gegevens op internet zetten en dan verwachten dat niemand die privé-gegevens kan inzien is dom.
Zelfs computers die aangesloten zijn op internet zijn niet veilig om geheimen te bewaren. Geheimen zet je niet op een computer met een aansluiting op internet. (geheimen hou je geheim).
Als je een geheime boodschap hebt, (wees je ervan bewust dat “geheime boodschap” een paradox is) is email, of andere internet toepassingen niet geschikt om die boodschap te versturen. Telefoongesprekken moeten tegenwoordig op servers bewaard worden, en zijn dus in principe openbaar! De post is geprivatiseerd, brieven komen vaak in verkeerde brievenbussen, dus brieven zijn ook niet betrouwbaar.
Internetbankieren, en betalen via internet, zijn gevoelige zaken, nooit 100% betrouwbaar. Banken zijn in een eindeloze strijd verwikkeld tegen oplichters en dieven. En ze zullen die strijd nooit winnen.

leuke plaatjes over een tag, trefwoord. Meer op http://www.twitterfountain.com/

Er zijn vaardigheden die direct te maken hebben met gereedschappen. In het beroepsonderwijs leer je deze vaardigheden van de leraar techniek. De leraar houtbewerking leert je een hamer vasthouden en een zaag, bij metaalbewerken leer je hoe je moet lassen. En de sportleraar leert je omgaan met een bal.
Er bestaan vaardigheden die niet in een vak passen.
De leraar techniek leert je ook hoe je beter kunt leren, maar dat doet de leraar Nederlands misschien ook wel. Bij de sportlessen leer je hoe je met anderen moet samenwerken, maar dat leer je ook bij verpleegkunde.

Juist omdat deze groep vaardigheden niet in een vak past is er een koepelterm nodig. Het is een vergaarbak van allerlei uiteenlopende vaardigheden. Daarom is er voor een naam gekozen die algemeen genoeg is om al die heel verschillende vaardigheden te kunnen benoemen.
Er bestaat al lang zo’n naam. Dat is softskills. Die naam wordt in veel talen gebruikt om deze vaardigheden te benoemen. In het Frans gebruikt men wel de naam “savoir vivre”
De term sociale vaardigheden is beperkter dan de term softskills. Leren, denken, reflectie, rekenen, zijn vaardigheden die wel binnen de term softskills vallen, maar niet binnen het bereik van de sociale vaardigheden.

Maar er is meer in de naam

De naam softskills is ook een geuzennaam. De softskills zijn vaardigheden die door sommigen met argwaan en minachting worden weggezet als overbodige onzin. “Wat heb je daar nou aan!” “Leer ze toch een vak!”
In die bijna ideologische strijd is de naam softskills ontstaan.

  • Zorg dat je goed begrijpt wat je moet onthouden.
  • Markeer wat je echt uit je hoofd moet leren. Gebruik speciale markeerstiften of tekentjes in de tekst of andere hulpmiddelen om woorden, getallen, regels en informatie te markeren die je uit je hoofd moet leren.
  • Als je iets uit je hoofd moet leren moet je het vaak en op verschillende momenten herhalen.
  • Denk na over de dingen die je moet leren. Probeer belangstelling op te brengen voor wat je moet leren.
  • Begin met de dingen die het best en langst wilt onthouden.
  • Leer de bij elkaar horende dingen samen, je wilt ze ook bij elkaar onthouden
  • Herhaal je leren vaker dan minimaal nodig is, om er zeker van te zijn dat je het goed kent.
  • Analyseer de dingen die je moet leren, zorg dat het materiaal een diepe indruk op je maakt
  • Doe je ogen dicht en probeer in je fantasie een beeld te krijgen van de uitleg en de samenvatting van het antwoord. Doe je ogen dicht en probeer dan de bladzij voor je te zien, met de onderstreepte sleutelwoorden.
  • Maak je eigen toepassingen van het geleerde, zoek je eigen voorbeelden en zoek er zelf afbeeldingen bij.
  • Probeer wat je moet onthouden in een rijtje te zetten met nummers er voor.
  • Probeer het onderwerp te tekenen of in een schema te zetten.
  • Maak een lijst met sleutelwoorden die je kunt gebruiken om het onderwerp uit te leggen.
  • Probeer associaties te maken over de dingen die je moet onthouden.
  • Probeer iemand het onderwerp uit te leggen zonder je boek en je aantekeningen
  • Maak zelf toetsvragen over het onderwerp. Schrijf dan de antwoorden op. Kijk dan in je boek of je antwoorden beter kunnen.

Als iemand iets heel ergs doet, zoals bijvoorbeeld meer dan 80 mensen doodschieten, dan krijgt zo iemand heel snel het stempel, gek, gestoord, ziek, onmens.  Alsof normale mensen niet in staat zouden zijn zoiets te doen.  Het is een bezwering van de angst voor wat mensen elkaar kunnen aandoen, het is een poging om het vreselijke buiten te sluiten. Maar mensen zijn heel wel in staat om de meest verschrikkelijke rampen te veroorzaken en om gruwelijke misdaden te plegen. Daar moet je de ogen niet voor sluiten. Door snel zo’n stempel te drukken maak je het moeilijk er over na te denken. Je duwt het weg en gaat eraan voorbij dat het tot de menselijke mogelijkheden behoort om gruwelijke dingen te doen. En als je die mogelijkheid niet onder ogen wilt zien, dan kun je er ook niets tegen doen dat het nogmaals gebeurt.

Het is de vraag in hoeverre meisjes en jongens meer dan alleen lichamelijk van elkaar verschillen. Daar wordt heel wat onderzoek naar gedaan.

En vaak worden die onderzoeken gedaan onder groepen meisjes en jongens. Men neemt een aantal proefpersonen of respondenten die deel uitmaken van de te onderzoeken groepen en legt ze een vragenlijst voor of laat ze een test ondergaan.

Door de te onderzoeken groep te laten deelnemen aan onderzoek zorgen onverwachte en niet te voorspellen verschillen tussen de groepen  voor vertekening van het resultaat. Meisjes zijn misschien wel anders dan jongens in het beantwoorden van enquêtes en vragenlijsten en het uitvoeren van opdrachten en tests.  Meisjes zijn misschien nonchalanter en meer geneigd tot bravoure en sneller afgeleid dan jongens. Meisjes antwoord misschien wel vaker uit verveling zomaar iets.  En er zijn allerlei verschillen tussen de groepen denkbaar die onderzoeken kunnen vertekenen. Als zulke verschillen bestaan dan is elk onderzoek naar verschillen tussen jongens en meisjes dat geen rekening houdt met deze verschillen in ‘testgedrag’ bij voorbaat al mislukt.

Veronica Vázques ZentellaWij leraren maken een plan voor onze lessen alsof alles zal gaan zoals wij dat willen. Maar in de klas, net als in het echte leven, gebeuren onverwachte dingen die de planning verstoren. We maken een plan voor onze ideale klas, maar hoe vaak gebeurt er niet iets waardoor we ons plan moeten wijzigen? Dan moeten we beslissen, blijf ik bij hoe-dan-ook het lesplan of pas ik de les aan.

Het antwoord is eigenlijk simpel, maar veel leraren blijven gewoon bij het oorspronkelijke plan.  Maar lesgeven is meer dan volgen van lesplannen en leerplannen. Leraren hebben te maken met emoties en de inhoud van lessen, de actualiteit en didactiek.  Als we lessen voorbereiden houden we meestal rekening met de laatste drie, maar de eerste veronachtzamen we bij de planning. We vergeten hoe belangrijk emoties zijn in de opvoeding en bij onderwijs. Onze leerlingen zijn niet (altijd) in de stemming, ze zijn moe, ze hebben problemen (net als iedereen), in het kort ze zijn niet in staat onze les te volgen. Bij deze omstandigheden hebben onze leerlingen een leraar nodig die zich kan aanpassen. Een flexibele leraar die zich aan alle omstandigheden kan aanpassen, die een plan B heeft voor als plan A niet werkt, en ook nog een plan C  en D. Dat is trouwens in het echte leven ook heel nuttig.

Het komt vaak voor dat we een plan hebben dat door een kritische omstandigheid (critical incident) niet gaat werken. Kreativiteit en flexibiliteit en  aanpassingsvermogen zijn voor iedereen belangrijke vaardigheden. Stel mijn plan is om met het hele gezin naar een museum te gaan, of naar het strand, en ze willen allemaal gaan voetballen. Wat zal ik dan doen? Boos worden, of straffen of toch maar mijn sportschoenen opzoeken en een balletje meetrappen en een plezierige tijd hebben samen?

In andere omstandigheden moeten we ons weten aan te passen, en we moeten leren improviseren.

(dit artikel is een bewerking van de weblog van Veronica Vázques Zentella http://networkedblogs.com/jGTIs

 

waarschuwingWat is de incidentmethode?
De incidentmethode is eenvoudige en gestructureerde manier om moeilijke problemen of nieuwe ontwikkelingen in een groep te bespreken. Structuur is nodig, omdat het ruimte en grenzen geeft, zodat de deelnemers voldoende openheid, rust en tijd hebben om mee te doen. Het is belangrijk ook flexibel te mogen omgaan met de structuur zodat gesprek soepel verloopt. De incidentmethode helpt een groep door middel van deze structuur en tijdsplanning om doelmatig en effectief aan de oplossing van een probleem te werken.
De incidentmethode is een werkvorm, waarbij een groep zich intensief verdiept in een bepaalde situatie, door het bespreken en analyseren van een situatie van één van de groepsleden. De gespreksleider moet de tijd goed bewaken.
De bijeenkomsten worden met regelmaat gehouden. De rollen van inbrenger, gespreksleider zijn tevoren bekend.
Fase 1 Start en reflectie over de vorige intervisie (10 minuten)
Hoe is de vorige bijeenkomst bevallen, gelet op de resultaten ?
Het reflectieverslag van de vorige inbrenger wordt besproken. Met een kort verslag over de ervaringen met de adviezen voor de ingebrachte werksituatie.
Fase 2 Inbreng van een nieuwe veranderingsvraag (10 minuten)
Het belangrijk te kiezen voor een persoonlijke situatie, die kort geleden in de praktijk plaats heeft gevonden.
Degene die de situatie, of casus inbrengt introduceert de casus door een korte schets op papier. De casus is beschreven tot op het kritische moment, hoe hij handelde en eventuele reacties. Mogelijke ideeën of oplossingen worden door de inbrenger weggelaten.
Deelnemers noteren ieder vragen die ze zouden willen stellen om meer inzicht te krijgen in de situatie.
Fase 3 Inzicht van de casus. Vragenronden (20 minuten)
De groep stelt informatieve vragen aan de inbrenger. Het gaat om feitelijke vragen.
Doorvragen en het stellen van verdiepingsvragen, maar niet interpreteren, oordelen of suggereren.
Fase 4 Analyse en inzichten vanuit de deelnemers (15 minuten)
De deelnemers bespreken hoe zij de situatie zien en welke oorzaken voor het probleem ze hebben bedacht. Ze benoemen relevante aspecten van de situatie. Ze geven hun visie op de rol van de inbrenger en betrokkenen. Ze nemen ook omgevingsfactoren in ogenschouw.
Fase 5 Adviesronde (15 minuten)
Bepaal welke persoonlijke betrokkenheid ieder heeft tot het ingebrachte probleem. Wat zouden de deelnemers doen in deze situatie? Bespreek de inzichten die ontstaan zijn.
Fase 6 Evaluatie en vervolgafspraken (10 minuten)
Hoe hebben de deelnemers de bijeenkomst ervaren? Welke persoonlijke leeropbrengst is er?
Wat is nog niet uitgesproken? Afspraken voor de volgende intervisie bijeenkomst.
Verslag
De inbrenger van de casus maakt tijdens de intervisie aantekeningen. Die verwerkt hij tot een reflectieverslag.
In het reflectieverslag komen de volgende aandachtspunten terug:
Welke inzichten heb je nu?
Wat heb je met de adviezen binnen de praktijk gedaan?
Wat waren je gevoelens na de bespreking?
Hoe heb je de adviezen ervaren?
Denk je dat er nu iets ten goede veranderd is?
Is er iets blijven liggen wat aandacht vraagt?
Het is belangrijk om aandacht te geven aan de vaardigheden die nodig zijn voor het schrijven en bespreken van een reflectieverslag. Dat kan in een intervisiebespreking.

breinBeschrijf en definieer het probleem duidelijk. Maak het doel van de brainstorm helder. Wanneer kunnen we de breinstorm als geslaagd beschouwen? Herhaal de probleemstelling tijdens de breinstorm in verschillende bewoordingen. Vraag je af of breinstorm wel de juiste techniek is om een oplossing te vinden. (Een nieuwe titel voor een boek kies je niet in een breinstormsessie)

De ideale groepsgrootte voor een brainstorm is zes deelnemers.

Laat iedereen meedoen. Rem dominante figuren wat af. Bevorder verscheidenheid. Ga over grenzen, laat tegenstellingen bestaan.

Moedig kruisbestuiving aan, voortbouwen op de bijdrage van anderen. Combineren, verbeteren, samenvoegen zijn aanmoediging waard.

De deelnemers moeten niet allemaal op elkaar lijken, verschillen tussen deelnemers zijn vruchtbaar.

Bevorder wilde ideeën, kreativiteit. Soms leiden wilde, vergezochte ideeën tot goede oplossingen.

Laat de deelnemers actief luisteren, om verduidelijking en uitleg vragen.

Voor de hand liggende oplossingen zijn niet persé slechte oplossingem.

Stel alle beoordeling en veroordeling uit. Er zijn geen slechte ideeën. Rare bijdragen leiden er niet zelden toe dat iemand anders op een goed idee komt.

Wees niet bang voor herhaling.

Begin gewoon, zorg dat je  tijdens de sessie geen tijd hoeft besteden aan organiseren en voorbereiden. (Bereid dus goed voor)

Ga voor kwantiteit en vermijd diskussies over de kwaliteit van de bijdragen. Verduidelijken van ideeën is goed. Diskussie tijdens de breinstorm remt de kreativiteit. Houd de stroom ideeën aan de gang.

Leg elk idee  vast, omschrijvingen moeten volledig zijn. Eén woord noteren is meestal niet genoeg. Leg vast, zonder interpretatie. Laat je niet opjagen, noteer elk idee.

Laat deelnemers de lijst met ideeën doorlezen om nog meer inspiratie op te doen.  Vraag ze om ideeën te combineren of met elkaar te verbinden.

Deelnemers moeten wennen aan brainstormen.

Laat de groep na de sessie zelf aan de gang gaan om de beste oplossing te kiezen.

 

Leraren moeten, net als alle andere mensen, zo nu en dan geestdodende en saaie klussen doen. Nakijken bijvoorbeeld. Bij die saaie klussen gaat veel tijd verloren door lummelen,  uitstellen en onderbreken en niet gewoon aan de slag gaan. Je werkt niet door, maar bemoeit je met de mensen om je heen, je twittert, zet weer eens koffie, verzint klusjes.

Als je een hele avond voor school hebt zitten werken, hoeveel tijd heb je dan netto gewerkt en hoeveel tijd heb je vermorst aan afleiding?
keukenwekker
De Kookwekker is een middel om tijd verknoeien, lummelen, te voorkomen.

1. Dwing je om gedurende een korte periode niets anders te doen dan de klus die voor je ligt. Geen koffie, geen email, geen telefoon, helemaal niets anders dan de klus.
2. Gebruik een kookwekkertje om een periode van 20, 25 of 30 minuten  af te tellen. Er zijn apps voor, maar een gewone kookwekker leidt het minst af.
3. Je kunt eventueel tussen de periodes een pauze van 5 minuten inlassen, en na vier periodes een langere pauze. (Dat wordt ook wel de Pomodoro techniek genoemd)